De Wet Werk en Zekerheid (WWZ) heeft sedert 2015 een aantal nieuwe regels opgeleverd voor werkgevers.

Één van die regels houdt in dat de werkgever in ieder geval één maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt, schriftelijk aan de werknemer moet laten weten of hij met die werknemer verder wil gaan of niet. Doet de werkgever dit niet of niet tijdig, dan is die werkgever een vergoeding verschuldigd aan de werknemer. Deze regel bestaat al enige tijd en is ook al herhaald door werkgevers niet nageleefd, hetgeen heeft geleid tot het moeten betalen van een bedrag door de werkgever aan de werknemer.

Wordt deze regel nu streng gehanteerd? Nee!

Inmiddels zijn er de eerste uitspraken van kantonrechters waaruit blijkt dat de aanzegging om de arbeidsovereenkomst al dan niet te verlengen, niet altijd schriftelijk behoeft te geschieden.
Een voorbeeld daarvan:
Een werkgever had aan een werknemer mondeling een contractverlenging aangeboden. Werknemer had daaropvolgend aangegeven graag bij werkgever te willen blijven werken. Uiteindelijk koos de werknemer toch voor een andere werkgever.

Nadat het dienstverband was beëindigd, stelde de werknemer dat de werkgever hem één maand voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk had moeten laten weten of hij nog verder wilde met werknemer. Nu dit niet was geschied maakte de werknemer aanspraak op een vergoeding te betalen door werkgever.

De kantonrechter heeft hierover geoordeeld dat hetgeen werknemer had gesteld niet juist was. Het was voor zowel werkgever als werknemer volstrekt duidelijk dat werkgever aan werknemer een contractverlenging had aangeboden en dat het dus de intentie van werkgever was om met werknemer verder te gaan. Een schriftelijk bericht op dit punt was volgens de kantonrechter niet nodig en de vordering van werknemer werd afgewezen.

Zie hier een voorbeeld van een uitspraak van een kantonrechter, waaruit blijkt dat de betreffende aanzegverplichting niet zo strak behoeft te worden nageleefd als de wet voorschrijft. Er zijn zeker feiten en omstandigheden te bedenken op grond waarvan die verplichting niet behoeft te worden nagekomen en anders kan worden ingevuld.