Wanneer wordt de koper van een goed dat wordt geleverd onder eigendomsvoorbehoud nu eigenaar van dat goed? Dit was de vraag die een curator en de bank verdeeld hield in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 september 2014 (NJF 2015/204).

De casus:

Een kweker koopt onder eigendomsvoorbehoud een teeltsysteem ter waarde van € 600.000,00. De koopprijs is deels voldaan. Nadien sluit de kweker met de bank een financieringsovereenkomst waarin – onder meer – een pandrecht wordt verleend op alle huidige en toekomstige inventaris. Volgens de financieringsvoorwaarden wordt hier mede onder begrepen zaken welke onder opschortende voorwaarde (lees: eigendomsvoorbehoud)  aan de pandgever zijn geleverd.  Vervolgens komt de kweker in staat van faillissement te verkeren. De bank voldoet na overleg daartoe gevoerd te hebben met de curator het restant deel van de koopsom van het systeem. De gedachte hierachter is dat als gevolg van deze betaling de aanspraken van de verkoper van het systeem komen te vervallen en de bank het teeltsysteem in het kader van haar pandrecht kan verkopen. Na de verkoop eist de curator evenwel de waarde van het systeem (minus het door de bank betaalde ten behoeve van de aflossing van de verkoper) van de bank.

 

De vraag die vervolgens centraal staat is wanneer de kweker eigenaar is geworden van het systeem. Was dit ten tijde van de aankoop dan valt het systeem onder het pandrecht van de bank en komt de opbrengst aan de bank toe. Is de kweker eerst eigenaar geworden nadat de bank het rest bedrag heeft voldaan dan valt het systeem niet onder het pandrecht van de bank omdat de kweker op dat moment al in staat van faillissement verkeerde en de wet in dat geval bepaalt dat de kweker niet meer bevoegd is om de handelingen vereist  voor de vestiging van zekerheidsrechten op  toekomstige goederen af te ronden zodat het teeltsysteem nimmer rechtsgeldig is verpand. Het gerechtshof beslist in het voordeel van de curator. De levering onder eigendomsvoorbehoud houdt in de levering onder de opschortende voorwaarde van betaling van de koopsom. Aan de koper wordt derhalve niet het (volle) eigendomsrecht ter beschikking gesteld maar een zogenaamd toekomstig goed waarvan het eigendom nog steeds berust bij de verkoper. De bank was gehouden de opbrengst aan de curator af te dragen.

Mocht u te maken krijgen met vragen omtrent financiering en zekerheden dan kunt terecht bij de advocaten van de sectie ondernemingsrecht van AVIO advocaten.