Maar al te vaak komt het voor dat ondernemingen failliet worden verklaard waarbij fraude in het spel is. De schade die dat jaarlijks tot gevolg heeft, wordt geschat op bijna twee miljard Euro.
Per 1 juli 2016 treden dan ook naar verwachting twee wetten in werking waarmee faillissementsfraude harder en effectiever kan worden aangepakt.
De Wet civielrechtelijk bestuursverbod en de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude vormen, samen met het wetsvoorstel Versterking positie curator, de fraudepijler van het bredere Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht. Dit wetgevingsprogramma bestaat uit drie pijlers: (i) bestrijding van faillissementsfraude, (ii) bevordering van het reorganiserend vermogen van bedrijven en (iii) modernisering van de faillissementsprocedure. Het wetgevingsprogramma heeft tot doel het faillissementsrecht grondig te moderniseren.

Wet civielrechtelijk bestuursverbod
Deze wet zorgt er voor dat een bestuurder die is veroordeeld wegens faillissementsfraude of zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid voorafgaand aan een faillissement maximaal vijf jaar geen onderneming meer mag besturen of binnen een onderneming een functie als commissaris mag bekleden. Als hij in deze periode toch wordt benoemd tot bestuurder of commissaris, dan is die benoeming nietig. Het bestuursverbod wordt ingeschreven in een centraal register. De notaris en de Kamer van Koophandel kunnen door raadpleging van dit register gemakkelijk nagaan of een persoon die een onderneming wil oprichten een bestuursverbod heeft. Is een bestuursverbod opgelegd, dan mogen de notaris en de Kamer van Koophandel niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van de onderneming. Met deze wet wordt voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten kunnen blijven voortzetten door bijvoorbeeld een nieuwe onderneming op te richten, vervolgens een ‘katvanger’ in te zetten als bestuurder en de onderneming daarna failliet te laten gaan. Het bestuursverbod wordt opgelegd op verzoek van het Openbaar Ministerie of de curator in het kader van het faillissement van de onderneming waar de persoon bestuurder was.

Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude
Deze wet verruimt de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van faillissementsfraude waardoor daar harder en effectiever tegen kan worden opgetreden. Op dit moment komen fraudeurs vaak weg met fraude als de curator een lege boedel aantreft. Bezittingen of geld van de onderneming zijn voor het faillissement weggesluisd en administratie is vaak ‘onvindbaar’. Dat maakt het moeilijk om de bezittingen of het geld terug te vinden. Ook is er weinig bewijs dat kan leiden tot een veroordeling. Met de nieuwe wet is overtreding van de administratieplicht strafbaar gesteld. De straf kan oplopen tot een gevangenisstraf van maximaal twee jaar. Ook als een bestuurder voorafgaand aan het faillissement buitensporige uitgaven doet of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven, met als gevolg dat schuldeisers van de onderneming in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, kan dat worden gestraft met een gevangenisstraf van maximaal twee jaar. Verder is frauduleus handelen dat een onderneming in ernstige financiële problemen brengt strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van maximaal twee jaar. Als sprake is van persoonlijke verrijking kan deze straf zelfs oplopen tot maximaal vier jaar.

Doel
De twee wetten maken het mogelijk om faillissementsfraude te bestrijden en om te voorkomen dat frauduleuze bestuurders via allerlei omwegen met nieuwe ondernemingen hun frauduleuze praktijken ongestoord kunnen voortzetten. Met de wetten kan het doel worden bereikt om misbruik van rechtspersonen te voorkomen en om door vroegtijdig strafrechtelijk op te treden een faillissement te voorkomen of tenminste schade te beperken.