Geen arbeid, geen loon is een bekend begrip in het arbeidsrecht. Dit begrip wordt ook toegepast indien een werknemer wegens detentie als gevolg van een strafrechtelijke veroordeling niet in staat is om de werkzaamheden uit te oefenen. Hoe zit het echter met het dienstverband van een gedetineerde werknemer? Deze vraag was aan de orde in een arrest van de Hoge Raad welk arrest hieronder zal worden toegelicht.

In een arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 ging het om een werknemer die werkte bij de kredietadministratie van een bank. In 2006 is die werknemer veroordeeld voor een strafbaar feit, ontucht met een minderjarige. Het hoger beroep dat door werknemer tegen die veroordeling was ingesteld is ingetrokken, dit heeft de advocaat van de werknemer aan werkgever laten weten op 1 februari 2007. Op die datum heeft de werkgever ook ontslag op staande voet aan de werknemer aangezegd, omdat deze nu onvoorwaardelijk was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Tevens geeft de werkgever aan dat het vertrouwen in de werknemer onherstelbaar is geschaad gelet op het gepleegde strafbare feit.

De werknemer beriep zich op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet en vorderde in een procedure doorbetaling van loon vanaf het moment waarop de detentie is geëindigd en hij weer beschikbaar was voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

Zowel de kantonrechter als het gerechtshof wezen de vorderingen van de werknemer toe. Het hof overwoog daartoe onder meer dat het enkele feit dat een werknemer gedetineerd is en hij daardoor zijn werk verzuimt, op zichzelf niet voldoende is voor een ontslag op staande voet. Dit kan anders zijn afhankelijk van bijkomende omstandigheden, zoals de vraag of de werknemer een verwijt valt te maken dat hij gedetineerd is geraakt en of de werknemer zijn werkgever van zijn detentie (zo spoedig als mogelijk en noodzakelijk was) in kennis heeft gesteld. Tevens speelt een rol of het strafbare feit waarvoor de werknemer is veroordeeld in verband staat met de werkzaamheden die hij voor zijn werkgever verricht.

Het gerechtshof oordeelde dat van de hiervoor genoemde bijkomende omstandigheden geen sprake was. Het gepleegde strafbare feit heeft zich geheel in de privé sfeer voltrokken, niet is gebleken dat dit van negatieve invloed is geweest op het functioneren van de werknemer. Daarnaast staat vast dat werknemer vóór zijn detentie voortreffelijk heeft gefunctioneerd en dat de werkgever geen directe schade heeft geleden als gevolg van de detentie van werknemer. De werkgever betaalde tijdens de detentie het loon immers niet uit en de werkzaamheden van werknemer zijn onder diens collega’s verdeeld. Het argument van de werkgever dat de ernst van het strafbare feit tot gevolg heeft dat er onrust ontstaat op de werkvloer indien de werknemer terugkeert, acht het gerechtshof in dit geval niet voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen.

De Hoge Raad sluit zich aan bij de overwegingen van het gerechtshof zodat het hoger beroep van de werkgever niet slaagt en de vorderingen van de werknemer worden toegewezen.