Het particuliere gebruik van houtkachels, open haarden, inzetkachels en vuurkorven heeft de laatste jaren een vlucht genomen. Ze worden niet alleen gebruikt voor het verwarmen van woningen, maar ook ter verhoging van de sfeer en voor recreatief gebruik. Omwonenden zijn hier vaak minder gelukkig mee. Zij ervaren vooral overlast: het stoken van hout kan namelijk geurhinder, gezondheidsschade en roetneerslag opleveren.

Dat de toename van het stoken van hout niet iedereen tevreden stemt, is te merken aan het ontstaan van initiatieven zoals het Platform Houtrook en Gezondheid, Stichting Houtrookvrij en Houtrook.nl, aan Kamervragen, discussies op social media, en de rechtspraak. Evenals voorgaande jaren heeft de bestuursrechter zich ook dit jaar diverse keren gebogen over de vraag of het gebruik van houtkachels leidt tot voor de omgeving hinderlijke of schadelijke rook of stank waartegen door bestuursorganen handhavend dient te worden opgetreden.

Wet- en regelgeving

Er is echter geen landelijke regelgeving voor het gebruik van houtkachels en haarden waar omwonenden een beroep op kunnen doen. Daarnaast bestaan er geen algemeen aanvaarde inzichten over de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van het gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. De Wet milieubeheer, in het bijzonder bijlage 1 van die wet, die grenswaarden bevat voor fijnstof, geeft evenmin uitsluitsel daarover. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat omwonenden vooral met een beroep op diverse bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 pogen het stoken van hout in hun omgeving aan banden te laten leggen.

In de Afdelingen 3.6 en 3.8 van het Bouwbesluit 2012 zijn bijvoorbeeld diverse bepalingen opgenomen waarin eisen worden gesteld aan verbrandingstoestellen ter voorkoming van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Echter, omdat deze bepalingen dienen ter bescherming van de bewoners van de woning waarin het verbrandingstoestel zich bevindt, staat het relativiteitsvereiste om die reden veelal aan een geslaagd beroep van omwonenden in de weg.

Daarnaast wordt vaak een beroep gedaan op art. 7.22 Bouwbesluit 2012. Hierin is onder meer bepaald dat het verboden is handelingen te verrichten waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid. Of sprake is van hinder als bedoeld in at. 7.22 Bouwbesluit 2012 wordt beoordeeld aan de hand van waarnemingen. Pas op het moment dat uit dit onderzoek blijkt dat kan worden gesproken van onaanvaardbare hinder, is het bestuursorgaan bevoegd om handhavend tegen de veroorzaker op te treden. Wanneer hiervan sprake is, is echter geen vast gegeven. Dat wordt per situatie bekeken en vastgesteld aan de hand van een berekening en/of meting van concentraties van geur en fijnstof of een objectieve bepaling van het optreden van geurhinder bij de omwonenden.

Kortom

Dit betekent dat het kan voorkomen dat omwonenden stookoverlast ondervinden terwijl er naar objectieve maatstaven geen sprake is van onaanvaardbare hinder waartegen door het bestuursorgaan kan worden opgetreden. Of, anders gezegd, dat er naar objectieve maatstaven bezien geen sprake is van onaanvaardbare hinder wil niet betekenen dat omwonenden geen stookoverlast kunnen ervaren. Daarom is – ook in dit soort situaties – belangrijk om eerst met elkaar in gesprek te gaan vóórdat een gang naar de rechter wordt gemaakt. Uiteraard kunnen wij daar behulpzaam bij zijn.