Deze zomer heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een interessante uitspraak over het vertrouwensbeginsel gewezen. In deze procedure stond onder andere de vraag centraal of het College van B&W van de gemeente Overbetuwe in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden tegen de door appellant in 1998 zonder omgevingsvergunning gerealiseerde paardenbak. De Afdeling oordeelt dat het college daar geen gebruik van heeft mogen maken omdat bijna 20 jaar eerder namens het college bij appellant het vertrouwen was gewekt dat voor de paardenbak geen vergunning was vereist.

Casus
Appellant heeft op zijn perceel zonder vergunning een paardenbak aangelegd en een schuur gebouwd. In de paardenbak geeft appellant maandelijks aan een groot aantal kinderen rijles. De paarden en pony’s die ten behoeve van de rijlessen worden gehouden worden in de schuur gestald. Op enig moment hebben buren van appellant het College van B&W van Overbetuwe verzocht handhavend op te treden tegen de activiteiten die appellant in strijd met het bestemmingsplan uitvoert. Het college heeft vervolgens appellant gelast om de aanwezige paardenbak en de schuur te verwijderen omdat daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend en legalisering van deze bouwwerken niet mogelijk is. Daarnaast heeft het college appellant gelast de bedrijfsmatige activiteiten te staken.

Appellant betoogt dat het college ten aanzien van de paardenbak in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn handhavingsbevoegdheid, omdat hem 15 jaar eerder door ambtenaren van de gemeente is meegedeeld dat het hebben van een paardenbak niet vergunningplichtig is. Daarnaast voert appellant aan dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat in de gemeente vele paardenbakken aanwezig zijn waartegen het college niet handhavend optreedt.

Uitspraak
Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De Afdeling voegt daaraan toe dat daar ook sprake van kan zijn indien deze toezeggingen zijn gedaan door een persoon waarvan de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

Met deze benadering stelt de Afdeling zich soepeler op dan voorheen en wordt daarmee in deze procedure de deur geopend om het beroep op het vertrouwensbeginsel te kunnen honoreren. De Afdeling constateert namelijk dat appellant bij brief van 11 september 1998, kort na het realiseren van de paardenbak, namens het college is uitgenodigd voor een gesprek op het gemeentehuis. Tijdens dit gesprek, zo blijkt uit het in de procedure gebrachte gespreksverslag van 30 september 1998, hebben twee gemeentelijke ambtenaren namens de gemeente zonder voorbehoud aan appellant meegedeeld dat het niet is toegestaan om op een perceel waarop een woonbestemming is gelegd zomaar een manege mag worden begonnen. Daarvoor moet eerst de bestemming worden gewijzigd. Het hebben van een (paardrij)bak is – zo wordt appellant meegedeeld – niet vergunningplichtig. Slechts het feit dat er niet alleen voor privédoeleinden gebruik van de paardenbak wordt gemaakt, maakt dat er een bepaalde bestemming op het perceel moet liggen. De Afdeling rekent de uitlatingen van de ambtenaren gelet op het vorenstaande toe aan het college en komt tot het oordeel dat deze uitlatingen bij appellant het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat het college niet handhavend zal optreden tegen de paardenbak.

Gerechtvaardigde verwachtingen moeten echter niet altijd worden gehonoreerd. Aanwezige belangen die zwaarder wegen dan het belang van appellant en het honoreren van het bij hem opgewekt vertrouwen, kunnen hier namelijk aan in de weg staan.

Op grond van de omstandigheid dat het college heeft verklaard dat de geconstateerde overtreding volgens het gemeentelijk handhavingsbeleid een gemiddelde handhavingsprioriteit heeft, de paardenbak reeds sinds 1998 op het perceel aanwezig is en daar niet eerder handhavend tegen is opgestreden en dat niet is gebleken dat de aanwezigheid van de paardenbak tot overlast leidt, overweegt de Afdeling dat de belangen van appellant bij de nakoming van het gewekte verwachtingen in dit geval zwaarder wegen dan het belang dat is gediend met handhavend optreden.

De Afdeling oordeelt daarom dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de realisering van de paardenbak door appellant.