Met het belastingplan 2013 heeft de fiscus haar ‘bodemvoorrecht’ verder verstevigd ten opzichte van met name pandhouders. In het nieuw ingevoerde artikel 22 bis van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat financiers die hun rechten ten aanzien van zogenaamde bodemgoederen wil uitoefenen het voornemen daartoe eerst moeten melden bij de ontvanger. De ontvanger heeft dan vier weken om te beslissen of er bodembeslag wordt gelegd. Indien dit niet gebeurt of de fiscus geeft voordien al aan dit niet te zullen doen dan kan de financier haar goederen binnen vier weken ophalen. Aangezien het bodemrecht van de fiscus dat buiten faillissement door bodembeslag wordt uitgeoefend in veel gevallen voor de rechten van de financiers gaat, betekent dit een ernstige inperking van de rechten van deze financiers.

Aangezien de nieuwe regeling volgens de toelichting bij het wetsartikel is bedoeld om zogenaamde bodemverhuurconstructies tegen te gaan werd de impact al te knellend ervaren voor objectfinanciers (leasemaatschappijen en eigendomsvoorbehoudgerechtigden), zodat per 27 maart 2013 een uitzonderingsregime van kracht is geworden voor deze partijen indien de betalingsachterstand niet langer voortduurt dan vier maanden dan hoeven deze partijen niet te melden.

Gezien de hiervoor genoemde uitzonderingsregeling is de nieuwe meldingsregeling met name van belang voor financiers met een stil pandrecht op de inventaris van de schuldenaar. Indien en voor zover de stille pandhouder bij het uitblijven van betaling van het verschuldigde wil overgaan tot executie van de verpande zaken door middel van het maken van vuistpand dan zal zij eerst mededeling van dit voornemen dienen te doen aan de fiscus. Indien deze vervolgens binnen de haar toekomende termijn beslag legt vist de pandhouder alsnog achter het net. De financier die ervoor kiest om de goederen zonder mededeling maar op te halen loopt het risico om zelf door de belastingdienst aangeslagen te worden voor de executiewaarde (met een maximum van de belastingschuld) van het verpande object.