Ten behoeve van de incassopraktijk wint het middel van de faillissementsaanvraag tegenwoordig steeds meer aan populariteit. Voordelen van de faillissementsaanvraag boven een reguliere dagvaardingsprocedure zijn dat deze procedure vele malen sneller verloopt en doorgaans ook veel goedkoper uitvalt.

Het middel zal doorgaans ingezet worden in geval van geld vorderingen waarvan op voorhand wel vaststaat dat de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is. De procedure is dus uitdrukkelijk niet bedoeld voor de situatie waarin verweer wordt gevoerd tegen de grondslag van de vordering. Het is in die situaties immers de vraag of de schuldenaar überhaupt iets is verschuldigd. In dergelijke situaties zal de schuldeiser eerst zijn aanspraken moeten laten toetsen door een bodem- of voorzieningenrechter.

Wanneer de vordering in aanmerking komt voor behandeling in het kader van de faillissementsaanvraag zal de aanvrager voorts dienen te voldoen aan de criteria die de Faillissementswet stelt voordat tot het uitspreken van het faillissement kan worden overgegaan. De Faillissementswet stelt op dit punt dat indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden, welke aantonen, dat de schuldenaar verkeert in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, de faillietverklaring wordt uitgesproken.

De toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen blijkt in het algemeen uit het feit dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. De schuldenaar moet derhalve over meerdere schuldeisers beschikken alvorens tot het uitspreken van het faillissement wordt overgegaan. In dat kader werd bij arrest van het gerechtshof Arnhem (NJF 2010/298) een opmerkelijke conclusie getrokken. In een geval waarin twee schuldeisers hoofdelijk schuldeiser waren van één schuldenaar werd de faillissementsaanvraag desalniettemin geweigerd nu de schuldeisers zodanig met elkaar waren verbonden dat het gerechtshof beide schuldeisers heeft vereenzelvigd en vervolgens om die reden heeft geconstateerd dat er geen sprake was van pluraliteit.

Het hof vond in dit kader relevant dat de vordering van beide schuldeisers een grote mate van verwevenheid vertoonde. Beide schuldeisers vorderden namelijk één en dezelfde boete welke op basis van de met de schuldenaar gesloten overeenkomst in geval van overtreding van de boetebepaling hoofdelijk, betaling aan de één leidt tot evenredige vermindering van de vordering van de andere schuldeiser, was verschuldigd. De wet stelt evenwel als eis dat er meerdere schuldeisers dienen te zijn, niet meerdere schulden. Daarnaast was in de rechtspraak al uitgemaakt dat het feit dat vorderingen voortspruiten uit dezelfde overeenkomst niet afdoet aan de pluraliteit van schuldeisers. Het hof heeft in haar arrest overwogen dat in het kader van de tussen partijen gesloten overeenkomst er een zodanige verwevenheid tussen de schuldeiseres was, dat zelfs in het kader van de uitvoering van de werkzaamheden het niet altijd eenvoudig was om een onderscheid te maken tussen beiden vennootschappen (schuldeisers). Het feit dat de schuldeisers wel twee separate juridische entiteiten waren werd onder die omstandigheden van minder belang geacht.