Bijna iedere week wordt er wel in een of andere krant aandacht besteed aan de toename van het aantal mensen dat problematische schulden heeft. De toeloop naar Gemeentelijke Kredietbanken en Stadsbanken is zo groot dat een deel van deze instanties het aantal verzoeken tot schuldhulpverlening niet aankan en er lange wachtlijsten ontstaan. Door deze wachtlijsten stagneert echter de doorstroming naar het wettelijke traject, de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).

Een vereiste om te worden toegelaten tot de WSNP, is het volgen van een zogenaamd minnelijk (buitengerechtelijk) traject. In dit traject wordt getracht een akkoord te sluiten tussen schuldenaar en schuldeisers. Pas als dit niet gelukt is, kan een verzoek tot toelating WSNP bij de rechtbank worden ingediend. Dit verzoekschrift is echter onderdeel van de zogenaamde “artikel 285 Fw-verklaring”. Deze verklaring kan volgens de Faillissementswet alleen door het College van B & W dan wel door haar gemandateerde instanties en personen worden afgegeven. In de praktijk komt dit meestal neer op Stadsbanken en Gemeentelijke Kredietbanken.

Onlangs heeft de Hoge Raad echter bepaald dat een “artikel 285 Fw-verklaring” die is afgegeven door een advocaat, door de rechtbank moet worden geaccepteerd. In aansluiting hierop heeft de Raad voor Rechtsbijstand het landelijk overlegorgaan van Rechters-Commissarissen in Faillissementen (Recofa) verzocht een standpunt te bepalen over de inzet van bewindvoerders bij het afgeven van de verklaring. Vooralsnog ziet Recofa geen belemmering tegen de afgifte van de verklaring door bewindvoerders. Ter voorkoming van mogelijke belangenverstrengeling is wel vereist dat de bewindvoerder die de verklaring afgeeft, niet in die zaak tot bewindvoerder wordt benoemd.

De nabije toekomst zal moeten uitwijzen of de uitspraak van de Hoge Raad inderdaad de doorstroming van zaken naar het wettelijk traject bevordert.