Een huurder van woonruimte verhuurt in strijd met de huurovereenkomst zijn woning onder aan een onderhuurder. De verhuurder vordert bij de kantonrechter Utrecht (NJF 2012/243) ontbinding en ontruiming, en deze vorderingen worden toegewezen.

Maar de verhuurder wil meer: hij vordert ook vergoeding van de schade die hij door overtreding van het onderverhuurverbod heeft geleden. De hoogte van die schade begroot de verhuurder op de winst die de huurder heeft genoten: € 800 (de onderhuurprijs) -/- € 402 (de hoofdhuurprijs) per maand.

Dat onderdeel van de vordering wordt afgewezen. De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat de verhuurder zelf ook zo’n hogere huurprijs met een huurder zou zijn overeengekomen. De verhuurder heeft dus geen schade geleden.

De verhuurder beriep zich op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juni 2010 (RvdW 2010/771) over “winstafdracht”. Op grond van artikel 6:104 BW oordeelde de Hoge Raad dat een onderhuurder die op grond van verboden onderverhuur jegens de verhuurder aansprakelijk is, en door die wanprestatie winst heeft genoten, veroordeeld kan worden tot schadevergoeding gelijk aan het bedrag van die winst.

In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad ging het echter om een woningcorporatie die kon aantonen schade te hebben geleden, zoals o.a. kosten voor de instandhouding van een anti-woonfraude team. Dat ging in de zaak voor de kantonrechter Utrecht niet op: de verhuurder was een particuliere verhuurder (zonder anti-woonfraudeteam). Daarom: geen schade, dan ook geen recht op winstafdracht.