De vordering op een debiteur tot betaling van facturen verjaart in beginsel na verloop van vijf jaren. De wet biedt u als crediteur de mogelijkheid deze termijn te verlengen door een stuitingshandeling te verrichten. In het geval van een faillissement van een natuurlijk persoon, waarbij de mogelijkheid om de vordering op de gefailleerde te innen na afloop van het faillissement in beginsel herleeft, is het zaak deze termijn goed in de gaten te houden. Faillissementen hebben nog wel eens de neiging om veel tijd in beslag te nemen. De Faillissementswet komt u als crediteur daarin enigszins wel tegemoet door te bepalen dat een verjaringstermijn welke afloopt gedurende het faillissement, of binnen een periode van zes maanden na de datum van het faillissement, wordt verlengd tot dat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken.

Na ommekomst van die zes maanden is uw bevoegdheid om de vordering op de debiteur te verhalen in beginsel vervlogen. Wordt het faillissement van uw debiteur na enige tijd derhalve opgeheven bij gebrek aan baten dan is het zaak de kwestie goed te agenderen en tijdig nadere acties te ondernemen. Indien in het faillissement van uw debiteur het tot een gedeeltelijke uitkering aan de concurrente crediteuren is gekomen dan liggen de zaken iets anders. In dat geval heeft er een verificatievergadering plaatsgevonden in het faillissement. Het proces-verbaal van deze verificatievergadering levert voor u als crediteur een zogenaamde grosse op en heeft net als een vonnis van de rechter executoriale werking. Om deze reden is niet de gebruikelijke termijn van vijf jaar van toepassing maar kent de Wet een termijn van twintig jaar na het verlenen van de grosse aan u toe.